Rothbard Over Economische Depressies: Oorzaak En Remedie

Murray Rothbard begint zijn essay, ‘Economic Depressions: Their Cause and Cure‘(1969) met de constatering dat we leven in een wereld van eufemismes. Met vermakelijke ironie schrijft Rothbard hoe economische depressies sinds de jaren ’30 niet meer voorkomen, omdat ze weggecamoufleerd zijn door het gebruik van een verzachtend en verbloemend semantiek. Bij de volgende scherpe depressie van 1937-1938 werd een depressie een ‘recessie’, maar ook dat woord bleek te hard voor de zachtgevoelige oren van moderne economen en het publiek. Sindsdien hadden we voornamelijk alleen nog maar ‘downturns’, ‘slowdowns’ of ‘sidewise movements’: dit zijn de wonderen van de ‘Nieuwe Economie’.

Sinds 1936 is de economische wereld in de ban geraakt van John Maynard Keynes die het Keynesianisme of ‘the New Economics’ heeft geïntroduceerd met de publicatie van zijn boek, The General Theory of Employment, Interest, and Money (1936). De houding van Keynes tegenover business cycles was dat overheden en centrale banken de economie zo konden reguleren dat recessies op z’n minst zouden worden geminimaliseerd of misschien zelfs helemaal de wereld uit zouden worden geholpen. Als er inflatie was, dan werd de oorzaak toegekend aan excessieve uitgaves door het publiek en was het de taak voor de overheid om de economie te stabiliseren door de uitgaves in te perken door middel van belastingheffingen. Als er een recessie was dan werd de schuld neergelegd bij het tekort aan private uitgaves en zou de overheid meer moeten uitgeven, ook al zou dit leiden tot overheidstekorten – zolang de totale uitgavestroom van het land maar wordt opgespekt. Het idee dat de overheid de rol kan opnemen van stabilisator van het economisch systeem zit sindsdien dieper ingebakken in de academische wereld dan ooit tevoren. De economie wordt hierbij gezien als een proces die ondanks zijn neiging naar grotere inflatie en werkeloosheid kneedbaar is. De overheid is in deze wereld dan een sociale engineer – altijd waakzaam voor elke mogelijke sputtering van de economie en altijd klaar om in te grijpen. Er was een tijd dat deze houding beschreven werd als ‘socialistisch’, maar in deze wereld van eufemismes heet het ‘matiging’ of ‘verlichtend vrije markt’.

Volgens Rothbard is de ‘general economic theory’ die ons leert dat vraag en aanbod altijd neigen naar het equilibrium inadequaat om ‘business cycles’ te verklaren. Moderne economen hebben om deze reden, apart van de ‘general economic theory’, een ‘business cycle theory’ bedacht om ‘business cycles’ te verklaren. Rothbard is ontevreden over de tweedeling van deze economische theoriën, omdat ‘business cycles’ onderdeel zijn van de economische wereld en daardoor geïntegreerd dienen te zijn binnen de algemene economische leer. Deze geünificeerde theorie bestaat gelukkigerwijs al; namelijk in de vorm van de ‘Austrian Business Cycle Theory’, een theorie die haar volledige vorm heeft verkregen onder Ludwig von Mises en haar volledige expressie heeft verkregen onder Friedrich von Hayek. De theorie bouwt voort op economische analyses van de 18e eeuwse Schotse filosoof David Hume en de 19e eeuwse Engelse econoom David Ricardo. Zij zagen een verband tussen de opkomst van het banken instituut, haar capaciteit om de geldhoeveelheid uit te breiden, en de opkomst van ‘business cycles’. Ricardo’s ‘business cycle theory’ vatte de volgende essentiële elementen van de correcte theorie:

  1. de terugkerende natuur van fases van de business cycle;
  2. en dat een economische depressie het gevolg is van marktinterventies door centrale banken en de overheid in plaats van voortkomend uit de vrije markt economie.

Het verklaarde echter nog niet waarom:

  1. er een plotselinge cluster van entrepreneuriële fouten plaatsvindt in zo’n korte periode;
  2. en waarom er een veel grotere fluctuatie in de ‘producers goods industries’ is dan in de ‘consumers goods industries’.

Hints van een correcte en volledig ontwikkelde theorie van ‘business cycles’ werden uiteindelijk naar voren geschoven door von Mises in zijn Theory of Money and Credit (1912) welke hij verder ontwikkelde gedurende de jaren ’20. Von Hayek bracht zijn theorie naar de Engelstalige wereld tijdens zijn aanstelling aan de London School of Economics in het begin van de jaren ’30. De theorie zou in de eerste jaren van de jaren ’30 onder enorm veel belangstelling staan totdat Keynes, ook werkende aan de London School of Economics, The General Theory of Employment, Interest, and Money (1936) publiceerde. Mises’ theorie gaat als volgt.

ABC Theory

Zonder kredietexpansie van banken neigen vraag en aanbod in de vrije markt naar een equilibrium in het prijssysteem en er kunnen geen cumulatieve ‘booms’ of ‘busts’ ontwikkelen. Dan stimuleert de overheid door haar centrale bank de kredietexpansie waardoor de kasreserves van commerciële banken ook uitbreiden. Wanneer deze banken krediet verlenen groeit de nationale geldhoeveelheid en wordt de marktequilibrium van vraag en aanbod naar de kredietverlening ernstig verstoord. Zoals Ricardo al zag: deze expansie van geld voert de prijzen van goederen op en leidt tot inflatie. Mises zag een additioneel kwaad, namelijk dat de rentestand in de economie onder deze omstandigheden lager wordt dan onder de omstandigheden van een vrije markt. Op de vrije markt wordt de rentestand volledig bepaald door de ‘time-preferences’ van alle individuen die onderdeel zijn van de markteconomie; de essentie van een lening is dat een huidig goed wordt opgeofferd voor een toekomstig goed. Omdat mensen van nature dezelfde hoeveelheid geld ‘nu’ prefereren boven dezelfde hoeveelheid geld ‘later’, is er een premium in de markt over het huidige geld. De variatie in de hoogte van de rentestand is afhankelijk van de mate waarin mensen het ‘nu’ prefereren boven de toekomst. ‘Time-preferences’ worden ook bepaald door de mate waarin mensen sparen en investeren prefereren boven de huidige consumptie. Als ‘time-preferences’ vallen dan consumeren mensen nu minder en sparen en investeren ze meer. Dit leidt tot een verlaging in de rentestand. Maar wat gebeurt er als de rentestant valt door overheidsinterventies die kredietexpansie promoten ipv door een natuurlijke val in ‘time preferences’? Het gevolg is dat entrepreneurs meer investeren in ‘capital en producers goods’. Investeringen, en dan met name de langdure projecten, die voorheen onrendabel leken lijken nu wel rendabel, omdat er minder rente terugbetaald hoeft te worden. Meer entrepreneurs zullen dan investeren in ‘capital goods’ en in industriële materialen in vergelijking tot ‘consumer goods’. Het geïnvesteerde geld leidt tot hogere huren in land en tot hogere salarissen in de ‘capital goods’ markt. Entrepreneurs denken dat ze, onwetend over de consequentie van overheids- en bankinterventies in de kredietmarkt, deze hogere kosten later terug kunnen betalen.

Het probleem komt wanneer werkers en grondbezitters het nieuwe geld, in de vorm van hogere salarissen, beginnen uit te geven. De ‘time-preferences’ van het publiek is namelijk niet lager geworden en het publiek wil niet meer sparen dan voorheen. De werkers consumeren dan meer van hun inkomen wat ertoe leidt dat de uitgaves teruggaan naar de ‘consumer goods industries’ en niet voldoende sparen en investeren om de nieuw geproduceerde ‘capital goods’ te kunnen kopen. De consequentie is een plotseling scherpe depressie in de ‘producers goods industries’. Wat dan blijkt is dat entrepreneurs, in de verwachting dat er meer spaargeld beschikbaar zou zijn voor investeringen, te veel hebben geïnvesteerd in ‘capital goods’ en te weinig in ‘consumer goods’.

Op deze manier leidt een inflatoire ‘boom’ dus tot distorties in prijs- en productiesystemen. Een depressie is een pijnlijk, maar noodzakelijk proces waarbij de vrije markt de excessen en fouten gedurende de ‘boom’ herstelt. Wat hoort de overheid dus te doen om de gearriveerde depressie zo spoedig en adequaat mogelijk te beëindigen?

  1. De overheid moet dan stoppen met het creëren van inflatie – de rentestand artificieel laag houden. Hoe langer de overheid zich bemoeit met het artificieel laag houden van de rentestand hoe langer en erger de depressie wordt;
  2. Het moet ook niet krediet verlenen aan bedrijven die in de problemen geraken;
  3. De overheid moet stoppen met salarissen artificieel hoog te houden, want daarmee zal het alleen maar meer werkeloosheid creëren;
  4. De overheid moet niet proberen opnieuw de inflatie aan te wakkeren, want ook als dit werkt wordt de bubble alleen maar groter en de economische pijnen, verlegd naar de toekomst, alleen maar heftiger;
  5. De overheid moet niets doen om consumptie te stimuleren opdat de consumptie/investeringsratio zich weer corrigeren naar een gezonde situatie;
  6. Wat de economie nodig heeft is niet meer consumptie, maar juist meer sparen.

In tijden van economische depressies hoort de overheid aldus niets te doen. Een depressie of recessie is geen kwaal, maar juist het geneesmiddel dat de economische excessen die door inflatie is gecreëerd weer terug te brengen naar een gezond niveau.

Over gelijkheid en nivellering

Deze post gaat over één van de verachtelijkste attributen van de westerse cultuur: de opvatting dat de progressie naar gelijkheid van iedereen en naar gelijkheid van alle overtuigingen een waarde op zich is. Om enkele voorbeelden te noemen waarin deze ‘progressie’ tot uiting komt:

  1. In de sociale wetenschappen wordt met immense minachting neergekeken op elke vorm van discriminatie tussen mensen, volkeren en rassen. Ondanks het feit dat ze uiterlijke verschillen tussen groepen en individuen zien, zwijgen ze het liefst over aangeboren verschillen in persoonlijkheid en intelligentie. Sociale wetenschappers opperen daarom: “alle mensen zijn gelijk, de oriëntaalse man = de blanke = de negroïde”.
  2. In de politiek wordt gezegd: “de stemmer heeft altijd gelijk” waarmee alle overtuigingen van verschillende stemmers gelijk worden gesteld alsof er geen onderscheid is tussen ‘goede’ en ‘slechte’ of ‘domme’ en ‘weldoordachte’ politieke overtuigingen.
  3. In het onderwijs willen we kinderen stimuleren om een eigen mening te vormen alsof het vormen van een mening een waarde op zich is. Er is totaal geen aandacht voor logica en onderbouwend leren beredeneren.

De opvatting dat gelijkheid van iedereen en gelijkheid van overtuigingen een waarde op zich is is een symptoom van nivellering – een ziekelijk sociaal proces waarin hogere waardes en individuele uniekheden betekenisloos worden gemaakt door ze omlaag te trekken naar het gemiddelde. Het is een proces dat comfort biedt aan mensen met een zwakke psyche opdat ze hun eigen perspectieven niet meer intellectueel hoeven te verantwoorden. Het leidt mensen ertoe om snel te oordelen om zelf niet beoordeeld te worden. Ze beseffen niet dat het zoeken naar waarheid niet hetzelfde is als zoeken naar datgene wat gewenst is. Ze verklaren vreugdevol:

“Dit is onze overtuiging: we kondigen het aan aan de wijde wereld, we leven en sterven ervoor, laat ons alles wat een overtuiging heeft respecteren!”

Het gevolg van nivellering is niet alleen dat belangrijke menselijke waarden betekenisloos worden gemaakt, maar ook dat iedereen gelijke toegang heeft tot de geschenken van het leven. Echter weet ik: Pulchrum Est Paucorum Hominum – schoonheid is slechts aan weinigen voorbehouden.

Ik weiger om mezelf te schikken aan het nivelleringsproces van de samenleving. Ik weiger om te geloven dat alle mensen gelijk zijn, dat politieke democratisering goed is en dat het recht op meningsuiting betekent dat je alle meningen moet respecteren. Ik heb geen respect voor intellectuele luiheid, geen respect voor godsdiensten die mensen mak en levenloos houden, geen respect voor democratie, geen respect voor tolerantie als waarde op zich, geen respect voor mensen die geen verschil zien tussen een leugen en een overtuiging.

Vrijwillig mensen helpen

Libertariërs zijn zo onrealistisch en naïef om te denken dat mensen altruïstisch genoeg zijn om de armste mensen vrijwillig te helpen. Omdat mensen niet menselijk genoeg zijn moeten we een instituut, genaamd de democratische overheid, oprichten bestaande uit gekozen halfgoden die de leegte in de harten van de aller armsten onder ons vullen met liefdevolle zorgzaamheid. Deze halfgoden handelen niet uit eigenbelang, hebben geen eigen interesses en vertrappelen maar net dat beetje vrijheden van de beestenmassa dat er toch nog structuur en harmonie bestaat in de samenleving. Mochten ze deze kudde beesten iets vrijer laten rondwaren dan zou er totale chaos zijn. Niemand zou meer op straat durven rondlopen, elkaar in de ogen durven aan te kijken en met elkaar te durven spreken. De beestenmassa zou vervallen tot miljarden onplezierige atomisten die elkaar als bruten de kop in zouden slaan. Juist: de mens is gevaarlijk, onbetrouwbaar en egoïstisch dus laten we daarom een democratische overheid installeren bestaande uit mensen.

Honderden vluchtelingen uit eten bij Nederlanders

12.000 IJslanders willen vluchtelingen in huis nemen

COA en Stichting Vluchteling platgebeld door mensen die willen helpen

Drie doelen van het onderwijs en de psychotische samenleving

Afgelopen week heb ik Nietzsches Twilight of the Idols (1888) (in het Nederlands Godenschemering) gelezen. Nietzsche noemt het boekwerk een “verklaring tot oorlog”, een veldslag waarin hij idolen – iets wat we excessief adoreren en aanbidden dat we ze boven onze kritische blikveld plaatsen – onderzoekt door er met een filosofische stemvork op te slaan om te zien of ze het verdienen om volwaardig geadoreerd te worden. Wellicht dat met de stemvorkslag het welbekende holle geluid van kletspraat te horen valt.

In deze post wil ik beschrijven wat Nietzsche te zeggen heeft over één zo’n idool – het publieke onderwijs in Duitsland. In een passage over het Duitse onderwijs schrijft hij dat in het moderne Duitsland niemand meer vrij is om zijn kinderen een nobele educatie te geven. Nietzsche gelooft dat het het doel is van het onderwijs en de school curricula om iedereen verplichtend gelijk te stellen aan elkaar door leerlingen een fundamenteel bedenkelijke middelmatigheid op te leggen. Deze nivelleringsslag houdt in dat middelmatigheid tot de standaard wordt gemaakt. Het is een sociaal proces waarin hogere waarden en individuele uniekheden worden vertrappeld en betekenisloos worden gemaakt door ze te trekken richting het gemiddelde. Zie in deze vorige post van mij hoe het fundamentele schoolproces (en het nivelleringsproces) eruit ziet. Dit gaat uiteindelijk ten koste van de ontwikkeling van het individu. In een passage waarin Nietzsche onder meer ook kritiek levert op filologen en Kant, schrijft hij:

“What is the task of all higher schooling?” To make man into a machine. “What are the means employed?” He must learn how to be bored. “How is this achieved?” By means of the concept duty. “What example of duty has he before his eyes?” The philologist: it is he who teaches people how to swat. “Who is the perfect man?” The Government official. “What philosophy furnishes the highest formula for the government official?” Kant’s philosophy: the Government official as thing-in-itself made judge over the Government official as appearance.” (Hoofdstuk Skirmishes in a war with the age, Sectie 29)

Gelukkig geeft Nietzsche naast zijn kritiek op het onderwijs ook ideeën over wat de doelen van het onderwijs zou moeten zijn. Hij heeft drie doelen vastgesteld waar het onderwijs aan zou moeten voldoen:

  1. Leerlingen moeten leren om het oog kalm te houden en om met geduld dingen op zich af te laten komen. Volgens Nietzsche is het belangrijk dat ze de gewoonte aanleren om individuele zaken van alle kanten te bekijken zodat we, zoals C. Wright Mills zegt, een zekere kritische gevoeligheid ontwikkelen waardoor onze geest als het ware “een bewegende prisma is die het licht opvangt van zoveel mogelijk verschillende hoeken en inzichten” (Mills, 1959, p. 214). Een persoon die getraind is om te leren zien wordt over het algemeen ook wantrouwender voor een zeker perspectief en is dan ook in staat om op grondiger redenen van perspectief te veranderen wat natuurlijk kan leiden tot een zekere weerspannigheid.
  2. Om leerlingen te leren denken. Denken moet worden geleerd net zoals dat dans geleerd dient te worden. Hij zag dat logica als een praktisch vak steeds minder werd beoefend en dat zelfs onder de hooggeleerden logica als een theorie langzaamaan begint te sterven.
  3. Tot slot moeten leerlingen leren spreken en leren schrijven. Ze moeten leren dansen met ideeën, met woorden en met de pen.

Al deze drie doelen van het onderwijs is wat ik graag de ‘intellectuele vakmanschap’ of ‘kritische kunde’ zou willen noemen. Naar mijn mening is deze vakmanschap geheel afwezig in ons onderwijs en daarmee verkeren we in een samenleving die onder voorwendselen van wijsheid en kennis snel vervalt tot een armzalig psychotische samenleving. Mensen hebben overal een mening op, maar weten daadwerkelijk niets: simpliciteit wordt verdraaid en gecompliceerd; we vertellen hoe anderen dienen te leven, maar kampen zelf met problemen die voor ons onoverkoombaar zijn; we behandelen symptomen van economisch-politieke kwesties, maar verliezen de oorzaak en het doel uit het oog; we gebruiken preventieve oorlogen om vrede te bewaren; installeren socialisme om kapitalisme te bewaken; en vernietigen met geweld de levensonderhouden van mensen onder humanitaire dekmantels. Zou het kunnen zijn dat deze huidige filosofie, nog onbenoembaar, het symptoom is van het retrogressieve onderwijs – een gebrek aan hogere scholing, een tekort aan intellectuele vakmanschap?

Referenties
Mills, C.W. (1959). The Sociological Imagination. New York: Oxford University Press.

Nietzsche, F.W. (1888). Twilight Of The Idols. (A.M Ludovici, Trans.) New York: Barnes & Noble Inc.