Grootste Probleem Van Ons Onderwijs: Het Schoolparadigma

Het grootste probleem van ons onderwijs is niet de financiering van ons onderwijs of de training van bekwame leraren of de standaarden van het curriculum. Ik geef toe dat dit problemen zijn, maar het áller-allergrootste probleem is het schoolparadigma waarvan de fundamenten vrijwel niet worden uitgedaagd door de samenleving. Dit paradigma voldoet niet aan de behoefte om kinderen voor te bereiden op de echte wereld. Het bestaat uit de volgende principes:

  1. Hersendodende routine. De acceptatie dat kinderen vanaf de tedere leeftijd van 4-5 jaar onderworpen dienen te worden aan de oppressieve routine van 12 lange jaren, 9 maanden in het jaar, 5 dagen in de week en 7 uren per dag school.
  2. Isolatie. Kinderen leven in deze tijd in een vervalste realiteit dat totaal geïsoleerd is van de werkelijke wereld.
  3. Klas positie. Kinderen worden geklassificeerd op basis van leeftijd en klasnummer. Soms worden ze zelfs ook geklassificeerd op basis van leerlingennummer.
  4. Gehoorzaamheid. Het toilet kan alleen worden gebruikt met permissie van de leraar en hun spraak wordt gereguleerd en moet in overeenstemming zijn met de interesses van de leraar. Ieder kind dient luisterend naar de leerkracht stil te zitten als een kleine lam schaapje.
  5. Verlies van vrijheid. Kinderen zijn verstoken van hun vrijheid om te denken en te focussen op hun eigen gedachtes en interesses. Daarnaast mogen ze niet rondlopen of uit het klaslokaal zonder toestemming van de leraar.
  6. Temperen van enthousiasme en passie. Kinderen die enthousiast zijn over een onderwerp moeten hun gedachtes en enthousiasme over een bepaald onderwerp naast zich neerleggen als de school of leerkracht bepaalt dat het tijd is om verder te gaan met het volgende vak. Ze moeten onder het mom van ‘discipline’ hun inspanningen toeleggen op repetitie en verveling. Ik geloof dat het doel hiervan is om degenen die opstandig en moeilijk te controleren zijn in bedwang te houden of anders uit het systeem te filteren. Kinderen die te opstandig zijn worden gestigmatiseerd als rebels en voorzien van een gedragsstoornisetiket.
  7. Emotionele afhankelijkheid. Kinderen worden geleerd om prijzen, stickers en andere vormen van complimenten of privileges na te jagen wat een versterkend effect heeft op hun afhankelijkheid van de leraar. Ze leren ook om hun persoonlijke trots te halen uit de complimenten die ze van de leerkracht ontvangen. In gevallen dat de leraar de leerling toestaat om bijvoorbeeld te praten in de klas of om weg te glippen uit het klaslokaal, wordt het kind dankbaar voor de privileges die de leraar hem of haar schenkt.
  8. Intellectuele afhankelijkheid. Kinderen worden getraind om te wachten op de leraar die hen instructies geeft wat ze gaan doen. Ze worden niet aangemoedigd om zelf na te denken hoe ze moeten handelen. Het gevolg is dat de meesten afhankelijk blijven van advertenties en nieuwsberichten die hen vertellen hoe ze zich moeten kleden, leven, consumeren en denken. Met andere woorden, kinderen leren zonder enige zelfreflectie te handelen op een manier die van hen wordt verwacht.
  9. Verlies van zelf-respect. Hun zelf-respect wordt afhankelijk van opinies van ‘experts’. Maandelijkse rapporten, cijfers en ouderavonden leren kinderen dat ze niet moeten vertrouwen op hun eigen zelf-evaluaties.
  10. Bevordering van klikspaangedrag en acceptatie van constante surveillance. Kinderen worden beloond om slecht gedrag van hun medeleerlingen te rapporteren.

Als je het schoolparadigma op deze manier uiteenzet is het eigenlijk een wonder dat er nog mensen zijn wiens nieuwsgierigheid het formele onderwijs heeft kunnen doorstaan. Net als H.L. Mencken geloof ik dat verlichting van de kinderen nooit het doel van het publiek of verplicht onderwijs is geweest. Het doel is om zoveel mogelijk individuen te vormen tot hetzelfde niveau – een niveau waarin opstandigheid en originaliteit niet meer aanwezig zijn en waarin gehoorzaamheid en conformiteit centraal staan. Als de samenleving echt begaan is met de ontwikkeling van haar kinderen dan zou ze er goed aan doen om kritische vragen te stellen over het schoolparadigma.

Tot slot, een interessante quote van Noam Chomsky over het schoolparadigma:

“The whole educational and professional training system is a very elaborate filter, which just weeds out people who are too independent, and who think for themselves, and who don’t know how to be submissive, and so on – because they’re dysfunctional to the institutions.”

En zie hier een interessante video over John Taylor Gatto en zijn idee over het schoolparadigma:

Hoe het Christendom zich tegen Jezus Christus heeft gekeerd

Friedrich Nietzsche maakt de volgende interessante observatie in De Antichrist (1888): “in principe was er nooit meer dan één Christen, en hij stief aan het kruis” (AC, par. 39).[1] In deze post behandel ik wat Nietzsche bedoelt met deze zin en geef ik weer hoe Christelijke priesters zich volgens Nietzsche tegen de leer van Jezus Christus hebben gekeerd. Ik zal laten zien dat hoewel Nietzsche vernietigend oordeelt over het Christendom, hij zich vrij mild uitlaat over Jezus zelf. Allereerst echter, zal ik kort Nietzsches kritiek op het Christendom behandelen zodat de lezer wat meer bekendheid verwerft met het filosofisch pespectief waarmee Nietzsche naar het Christendom kijkt.

Nietzsches kritiek op het Christendom
Het is algemeen bekend dat Nietzsche volhardend anti-Christelijk is. In de laatste passage van De Antichrist spreekt hij het volgende oordeel uit over het Christendom:

“Ik noem het Christendom de ene grote vloek, de ene grote innerlijke verdorvenheid, het ene grote instinct van wraak waarvoor geen middel te giftig, te heimelijk, te onderaards en te onbeduidend genoeg is – ik noem het het ene onsterfelijke schandvlek van de mensheid…”[2]

De voornaamste reden waarom Nietzsche zich zo vernietigend uitspreekt over het Christendom is dat hij meer begaan is met ‘grootheid’ dan met ‘goedheid’. Hij rangschikt culturen naar de manier waarop ze met het lijden omgaan. Volgens Nietzsche impliceert grootheid een bereidheid om immense pijn te weerstaan, te verwerken en te benutten voor de verwording van een hoger type persoon. Terwijl de meesten ‘goedheid’ associëren met de verwijdering of het ontwijken van het lijden ziet Nietzsche juist immense waarde in het lijden. Hij denkt dat lijden onlosmakelijk verbonden is aan een leven vol voldoening en ziet dat deze twee – lijden en een voldaan leven – dicht tot elkaar staan. Niemand is in staat om onmiddelijk in een eerste poging een grootse positie in te nemen in het leven. Om tot grootse daden te komen moeten we door een proces van pijn, angst en vernedering heen. Zo schrijft Nietzsche in één van zijn notities die uiteindelijk verzameld zijn in het posthuum verschenen werk, De Wil Tot Macht, dat hij iedereen die hem enigszins beroert het volgende toewenst: lijden, eenzaamheid, ziekte, onbejegening, zelfverachting en de kwelling van zelfwantrouwen. Hij zal geen medelijden met hen hebben, omdat deze toestanden die hij hen toewenst zullen bewijzen of zij wel of niet waardig zijn.

Om grootser te worden is er een bepaalde houding nodig ten opzichte van het leven: een liefde voor het leven, een liefde voor het lot wat je overkomt (amor fati) en een liefde voor het wereldse. Volgens Nietzsche schiet het Christendom hierin schromelijk tekort. In plaats van dat het Christendom het werkelijke leven op aarde omarmt, heeft ze een fictieve wereld geschapen alsof de realiteit haar beangstigt. Ze is niet meer in aanraking met de realiteit en haar fictieve wereld is gebaseerd op een haat jegens het natuurlijke. In passage 18 van De Antichrist schrijft Nietzsche: “Met God is er een vijandschap verklaard tegen het leven, de natuur en de wil tot het leven!”[3] Nietzsche verzet zich tegen het Christendom en laat Zarathoestra de volgende woorden uitspreken na de verkondiging dat ‘God dood is’[4]:

“Een nieuwe trots leerde me mijn ego die ik de mensen leer: niet meer het hoofd in het zand van hemelse dingen te steken, maar om het vrij te dragen, een aardenhoofd, een die de aarde zin verschaft!”[5]

“Het waren de zieken en de stervenden die het lichaam en de aarde verachtten en een hemelse wereld hadden uitgevonden…”[6]

Nietzsche noemt Christenen de zieken en de stervenden, omdat hij hen associeert met de zwakkere, lagere klasse die in een wraakpoging om de aristocraten te overheersen een moraal hadden ontwikkeld die de krachtige en levensomarmende waarden van de aristocraten revalueerden tot een kwaad moraal. Daarentegen verhieven zij levensnegerende waarden die voorheen door de aristocratie werden geassocieerd met ‘slecht’ als ‘gewoonheid’, ‘armoede’, ‘zwakheid’, ‘krachteloosheid’ en ‘medelijden’ tot het goede moraal. Deze opstand van de zwakkeren tegen hun heersers is wat Nietzsche ‘de slavenopstand in moraliteit’ noemt.[7]

Als God toch al dood is, waarom bekommert Nietzsche zich dan nog zoveel om het Christendom en waarom noemt hij het “het ene onsterfelijke schandvlek van de mensheid”? Volgens mij heeft Nietzsche hier twee redenen toe: (1) hij gelooft dat hoewel vrijwel niemand van de intelligentsia nog gelooft in Bijbelse kinderlijke verhalen, de Christelijke ethiek nog eeuwen door zal leven in de maatschappelijke inspanningen om de samenleving te nivelleren en te democratiseren. Volgens Nietzsche ligt de oorsprong van zulke inspanningen in het zwakke levensnegerende slavenmoraal van het Christendom. Hij gelooft dat zulke inspanningen de progressie van de mensheid tegenhouden; en (2) Nietzsche maakt zich zorgen om het passief nihilisme – de acceptatie van het idee dat morele waarden en waarheid geen absolute geldigheid hebben en het leven zinloos is – dat zou worden ingezet door de dood van God. Nietzsche wilt ons een oplossing bieden voor dit nihilisme en ziet de Übermensch als de uitweg. De Übermensch is kortweg gezegd de persoon die zijn eigen waarden kan creeëren en zichzelf zin kan geven in het leven.[8]

Hoe priesters de leer van Jezus hebben verdraaid
Nu er wat meer duidelijkheid is verschaft over het filosofisch perspectief waarmee Nietzsche het Christendom beoordeelt, zal ik een uiteenzetting geven van Nietzsches kijk op Jezus. Men zou na het lezen van Nietzsches kritiek op het Christendom kunnen denken dat Nietzsche zich net zo vernietigend zou uitspreken over Jezus. Toch is dit niet waar. In De Antichrist maakt hij met een verfijnde scherpzinnigheid duidelijk dat er een onderscheid is tussen wat het Christendom verkondigt en wat Jezus Christus zelf heeft verkondigd. Na bijna twee duizend jaar interpretaties en verdraaingen van Jezus’ leer probeert Nietzsche op ingenieuze wijze de authentieke psychologie van Jezus te reconstrueren. Hij denkt dat het authentieke karakter van Jezus ondanks de vertekeningen nog altijd aanwezig is in de evangeliën.

Het Christendom beweert dat verlossing degene toekomt die gelooft in Jezus Christus de Verlosser wiens dood aan het kruis een offer is geweest voor de vergiffenis van de zonden van de mensheid. Echter, heeft Jezus zichzelf volgens Nietzsche nooit gezien als degene die de mensheid actief zou verlossen van haar zonden. Jezus gelooft namelijk dat verlossing een nieuwe manier van leven is waar iedereen zelf toegang tot heeft en hij stelt zijn dood als ultiem toonbeeld van hoe we zouden moeten leven. De kern van deze levenswijze is om te houden van iedereen, inclusief kwaadwillige mensen. Nietzsche beschrijft Jezus’ levenshouding als volgt in passage 35 van De Antichrist:

“Het was een manier van leven die hij de mensheid achterliet: zijn houding voor de rechters, voor de vervolgers, voor de aanklagers en bij alle soorten belasteringen en versmadingen – zijn houding aan het kruis. Hij weerstaat niet, hij verdedigt niet zijn recht, hij doet geen stap om de exstreemste consequenties te ontlopen, meer nog hij provoceert ze … En hij bidt, hij lijdt en houdt van hen die hem kwaad doen… Niet zich weren, niet boos worden, niet verantwoordelijk maken… Maar ook niet het kwade weerstaan – hen liefhebben…”[9]

Alleen door zo te leven ben je volgens Jezus in het paradijs, zo ben je een kind van God. Het koninkrijk des Gods is dus een ervaring van het menselijk hart dat vrede kent. Het rijk Gods is zuiver innerlijk en is toegankelijk voor iedereen in het heden. De nadruk van Jezus’ leer ligt niet in geloof per se, maar in de attitude en handeling van non-interventie. Nietzsche bekritiseert de Christenen na Jezus ervan dat ze Jezus’ leer nooit hebben geleefd. Hij hekelt hun hypocriete handelswijze dat gebaseerd is op wereldse egoïsme, trots en wil tot macht – juist de dingen die in tegenstelling staan tot Jezus’ ontzegging van het leven. Vandaar dat Nietzsche zegt: “in principe was er nooit meer dan één Christen, en hij stief aan het kruis”. De Jezus die door Nietzsche geschetst wordt is iemand die wereldvreemd is en die buiten zijn milieu staat – buiten alle religie, tijd en cultusopvattingen. Volgens Nietzsche is ook Jezus een decadent figuur die losstaat van de realiteit. Hij erkent het belang van de wereld niet en heeft door zijn extreme gevoeligheid voor pijn en irritatie een instinctieve haat jegens realiteit. Zodoende rebelleert Jezus met zijn boodschap van de nieuwe levenswijze tegen de realiteit, tegen Joodse religieuze instituten en de toenmalige hiërarchie in de samenleving die in stand werd gehouden door Joodse priesters. Nietzsche benoemt Jezus in passage 27 van De Antichrist tot de

“heilige anarchist die de laagste van het laagste, de uitgestotenen, de ‘zondigen’ en de Chandala van het jodendom bijeenroept om in opstand te komen tegen de gevestigde orde.”

Door niet te veroordelen heeft Jezus de opstand tegen de Joodse leer van ‘zonde’ en ‘boete’ ingezet. In de ogen van de Joodse heersende klasse en hoge priesters is Jezus een politiek crimineel. Ze hebben hem daarom uitgeleverd aan Pilatus en zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor Jezus’ dood. Het is door een misinterpretatie van Jezus’ kruisiging waarmee de discipelen van Jezus zich hebben gekeerd tegen zijn leer: in hun zoektocht naar waarom Jezus heeft moeten sterven geven zij de schuld aan de heersende klasse. Zij hebben de kruisiging van Jezus nooit kunnen aanvaarden en in deze non-acceptatie nemen ze een toevlucht tot wraak, de instinct die bij uitstek onevangelisch is. Zo verheffen ze Jezus boven hun vijanden tot de Messias, tot de zoon van God en beloven ze toekomstige boetes voor hen die kwade daden begaan op aarde. Dit alles in tegenstelling tot Jezus’ doctrine dat iedereen de zoon van God kan zijn en de hemel kan ervaren in hun huidige leven door zachtaardig te handelen, iedereen lief te hebben en niemand te veroordelen. Hoe heeft God Jezus kunnen laten sterven? Daarop antwoorden de discipelen van Jezus: God heeft zijn zoon opgeofferd voor de vergiffenis van onze zonden. Volgens Nietzsche is het voornamelijk Paulus de apostel geweest die de geschiedenis van Jezus en het Christendom heeft vervalst. Hij is degene die aan de basis staat van wat later de verlossingsleer van de kerk is geworden – juist datgene waar Jezus tegen heeft gepredikt. Het is grotendeels aan Paulus te wijten dat concepten als ‘morele orde van het universum’, ‘zondaar’, ‘Verlosser’, ‘laatste oordeel’ en een ‘onsterfelijke ziel’ op zijn gekomen in het Christendom, concepten die volgens Nietzsche allemaal gehanteerd en benut worden door Christelijke priesters en kerken om zichzelf te verrijken met macht. Met de onsterfelijke ziel wordt de betekenis en doel van het leven nadrukkelijk verplaatst naar het hiernamaals wat alle instincten tot persoonlijke groei in dit leven beonderdrukt. Uiteindelijk is alles wat God van de mensheid verlangt niets anders dan wat de priesters zelf van mensen eisen – en o wee als men niet luistert, dan zal men gestraft worden voor zijn zonde. Dit alles heeft volgens Nietzsche een einde gemaakt aan Jezus’ originele poging om tot een soort Boeddhistische innerlijke vrede te komen. Dit is hoe het Christendom zich tegen Jezus Christus heeft bekeerd.

Voetnoten
[1] Dit heb ik zelf vrij vertaald vanuit de originele Duitse tekst naar het Nederlands.

[2] idem

[3] idem

[4] Met “Gott ist tot”, bedoelt Nietzsche dat het verval van het geloof in God tot dusver is gevorderd dat vrijwel niemand van de intelligentsia nog gelooft in de kinderlijke verhalen van de Bijbel. Niemand die enigszins goed geïnformeerd is in Nietzsches tijd gelooft dat de wereld was geschapen in zeven dagen, dat de wereld ooit werd geteisterd door een zondvloed, dat er bovennatuurlijke wezens zijn die God dienen of dat Mozes de Rode Zee heeft gesplitst.

[5] Zelf vrij vertaald vanuit de originele Duitse tekst naar het Nederlands.

[6] idem

[7] Voor Nietzsches eloquente verhandeling over hoe het Christelijke moraal eigenlijk in haar fundamenten gebaseerd is op ressentiment en indruist op het ‘heersersmoraal’, zie Nietzsches De Genealogie van de Moraal (1887).

[8] Voor een korte, maar krachtige verhandeling over de verwording van de Übermensch, zie de passage ‘De Drie Metamorfoses’ in Aldus Sprak Zarathoestra (1883).

[9] Zelf vrij vertaald vanuit de originele Duitse tekst naar het Nederlands.

Logische implicaties van “Wij zijn de overheid”

Ik las laatst een artikel op de website van ‘Architects & Engineers for 9/11 Truth’ over het creëeren van een valse identiteit en de Amerikaanse excessieve zelf-identificatie met de Verenigde Staten. Het artikel gaat over Amerikaanse burgers die zichzelf identificeren met het imago van hun land – dat als de VS en hun overheid bekritiseerd worden, zij zich ook bekritiseerd voelen. Als Amerika slecht is dan zouden zij, alszijnde extensies van Amerika, ook slecht zijn. Het volledige artikel kan je hier lezen. In deze post bespreek ik de logische implicaties van de gedachte dat wij de overheid zijn.

De identificatie met de staat of overheid komt niet alleen voor in Amerika, maar in elk land. Elke staat is er namelijk bij gebaat dat haar burgers zichzelf identificeren met het politiek orgaan. Zij kan immers niet bestaan zonder de “toe-eigening van de vruchten van andermans arbeid” (Oppenheimer, 1908).[1] Dit is wat Franz Oppenheimer de ‘politieke methode’ noemt. In dit geval zijn het de vruchten van de arbeid van burgers in de vorm van belastingen die de staat zichzelf toe-eigent.

Om burgers zich in een democratie te laten identificeren met de staat wordt er gezegd: “wij zijn de staat,” of “wij zijn de overheid,” of “de stemmer heeft altijd gelijk”. Dit is echter niks anders dan een illusie – een metafoor die zo vaak wordt herhaald dat wij vergeten zijn dat ze slechts illusies zijn en geen waarheid. Zodra de kleine man aan dit zelfbedrog lijdt, heeft hij de illusie dat hij in staat is om het politiek proces te beïnvloeden. Het is een illusie die mede hierdoor aantrekkingskracht heeft: het geeft ons de waan dat wij een zekere politieke macht bezitten.

Echter, wat zijn de logische implicaties als wij denken dat ‘wij de overheid zijn’? Als iedereen de overheid is dan is het buitenlands beleid van onze overheid ons buitenlands beleid. Als de Nederlandse overheid Libië aanvalt dan zijn het wij die Libië aanvallen. Als de Duitse politiek door politieke onenigheid besluit om Nederland aan te vallen dan zijn het wij die worden aangevallen en zijn het zij, de Duitsers, die onze vijanden zijn. Zo gezien is het niet eens verwonderlijk dat met de opkomst van democratiën, het idee dat alle burgers deelnemers zijn van het politiek orgaan door hun stemrecht, oorlogen grootschaliger zijn geworden. Oorlogen worden niet meer uitgevochten tussen twee koningen en hun privé legers, maar tussen twee volkeren: het is nu alle Nederlanders tegen alle Duitsers. Duitse Joden zijn ook niet meer vermoord door de Nazi regering, maar ze hebben ‘zelfmoord gepleegd’. Als wij gevangen worden gehouden door de overheid, dan zijn het wij die onszelf opsluiten. Als de Nederlandse overheid besluit om sancties te leggen op Iran waardoor arme Iraanse kinderen honger lijden, dan zijn het wij die dit de kinderen aandoen. De enige conclusie die ons rest na het uiteenzetten van deze logische implicaties is om te zeggen dat het absurd is om te denken dat wij de overheid zijn – wij zijn niet de overheid en de overheid is niet ons. Het zijn niet wij die Iraanse kinderen laten verhongeren. Het zijn ook niet wij die Libië hebben aangevallen. Het is de politieke elite die dit doet.

De remedie voor de waanzin – “wij zijn de overheid” – is om wat reflectiever te kijken naar ons taalgebruik. Als wij echt serieus zijn in het verwijderen van zulke ideologische camouflages, dan moeten wij het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’ weglaten uit zulke zinnen.

Voetnoot
[1] In De Staat (1908), stelt Oppenheimer dat er twee methoden zijn waarmee de mens zichzelf in zijn behoeftes kan voorzien: de ene noemt hij de ‘economische methode’ en de andere de ‘politieke methode’. Volgens de economische methode voorziet de mens zich van zijn behoeftes door arbeid en handel. De politieke methode maakt daarentegen gebruik van exploitatie van burgers.

Boyhood (2014) en existentiële vragen

Toen Christopher Nolan werd gevraagd wat zijn favoriete film was van 2014 afgezien van zijn eigen Interstellar, antwoordde hij:

“I will say that Boyhood, [Richard] Linklater’s film is an extraordinary movie, I mean, there’s no question.”

In deze post zet ik uiteen waarom Boyhood zo’n diepe indruk op mij heeft gemaakt. Boyhood kabbelt langzaam voort zoals ons leven langzaam voortbeweegt. Het is voornamelijk door deze kalmte dat de film synchroon lijkt te lopen met het ritme van het leven wat bijdraagt aan een adembenemend intieme filmervaring.

Boyhood is een experimentele film die het leven volgt van Mason Evans Jr. (Ellar Coltrane) en zijn naasten. Het is opgenomen gedurende een periode van 12 jaar waarin de acteurs en actrices jaarlijks een aantal dagen opdraven om de film te schieten. Het effect is dat de kijker de fysieke ontwikkelingen van de hoofdpersonen mee maakt, terwijl ze worden gespeeld door één en dezelfde acteurs en actrices. Er hoeven aldus geen andere acteurs gecast te worden die de hoofdpersonen in hun verschillende levensfasen spelen. Dit geeft Boyhood een uniek ‘real time’ en naturalistisch perspectief.

Zoals je kan verwachten van een ‘coming of age’ film, speelt tijd en de levensfase waarin de personages zich in bevinden een belangrijke rol in de wijze waarop Mason en zijn naasten in het leven staan. De film begint met de 6-jarige Mason die liggend op het gras naar de hemel staart en eindigt met de 18-jarige Mason die net is gearriveerd op de University of Texas Austin en met zijn pas ontmoete kamergenoot en diens vrienden een wandeling maakt door Big Bend National Park onder invloed van een spacecake. De film is niet opgebouwd op een manier waarop het een specifiek begin en een specifiek eind, vaak na een climax, heeft moeten hebben – het had net zo goed kunnen beginnen op een ander punt in Masons leven en kunnen eindigen op een ander moment. Doordat Boyhood geen specifiek begin of eind lijkt te hoeven hebben, kunnen sommige kijkers wel het gevoel krijgen dat er geen plot aanwezig is. Sommigen zien dit als een ernstig kritiek op de film, echter is dit volgens mij geniaal uitgedacht door Linklater. Hoe kan een film die de essentie van tijd en haar invloed op ons leven tracht weer te geven ook een zeker begin en eind kennen? Mede door dit perspectief wordt Todorovs narratieve patroon niet gevolgd. De vloeiendheid van tijd wordt aan het eind van Boyhood mooi tot uitdrukking gebracht in de dialoog tussen Mason en Nicole. Hierin stelt Nicole:

“You know how everyone always says ‘seize the moment’? But I think it is kind of the other way around: the moment seizes us.”

Daarop antwoordt Mason:

“Yeah, it’s constant. It’s like, always right now.”

De tijd is altijd met ons en beweegt constant. Er is dus geen status quo om te verstoren en om te herstellen, omdat het leven zelf voortdurend in flux is en het enige moment van stilstand het moment van sterfte lijkt te zijn.

In Boyhood zien we de fysieke en mentale ontwikkelingen van Mason en zijn zus Samantha (Lorelei Linklater) die samen opgroeien in een gebroken gezin – de moeder (Patricia Arquette) is namelijk gescheiden van haar man (Ethan Hawke). Er zijn vele momenten in de film die sterk relateerbaar zijn aan de levens van menigeen kijkers. Mason en zijn naasten zijn net als ieder van ons op zoek naar hun plaats in de wereld en dobberen daarbij gedurende de hele film verloren rond. Hierbij vangen we bij aanvang van de film al een glimp op van de vertederende en kinderlijke wereldbeeld van de 6-jarige Mason wanneer hij opbiecht dat hij de puntenslijper van zijn lerares heeft stukgemaakt door steentjes in de puntenslijper te doen om ze te slijpen. We zien ook hoe de kinderlijke en onverantwoordelijke Mason Sr. een band probeert op te bouwen met zijn zoon en dochter die hij eens in de twee weken mag zien. We zien hoe gegeneerd Samantha zich voelt wanneer haar vader met haar een serieus gesprek over seks probeert aan te knopen. We zien hoe de nieuwe aan alcohol verslaafde echtgenoten van de moeder krenkend omgaan met Mason en Samantha. We voelen de schaamte van de 8-jarige Mason wanneer hij onzelfverzekerd de klas binnenstapt nadat zijn stiefvader hem heeft meegenomen naar de kapper. Ook voelen we hoe zijn hart voor de eerste keer is gebroken door zijn eerste grote liefde. De ontwikkeling van alle personages ontplooit zich in mooi vervlochten scènes, terwijl hun levenssituaties steeds veranderen gedurende de 12 jaar. De enige constante factor in het voortdurend veranderende leven van Mason en Samantha is de moeder (Patricia Arquette). Hoe vaak ze ook veranderen van school, van stiefvader, van vrienden, van huis, de moeder blijft ze altijd bij. Ze is als een vast meubelstuk in een altijd veranderend huisinterieur.

Existentiële vragen
Linklater stelt Mason en zijn naasten voor de volgende uitdaging: hoe kunnen zij alszijnde individuele unieke mensen die verantwoordelijk zijn voor hun eigen daden en eigen lot zin geven aan een leven dat ogenschijnlijk absurd en zinloos is?

Linklater betoont de absurditeit van het leven in de volgende vier scènes. In de ene scène zit Mason onzelfverzekerd in de klas vanwege zijn nieuw kortgeschoren hoofdje en ontvangt hij een papiertje van een klasgenoot waarop staat:

“Mason, I think your hair looks kewl! 🙂 Nicole.”

In een andere scène van de film maakt hij een wandeling door Big Bend National Park en heeft hij een ellenlange conversatie met een meisje met wie hij direct een klik voelt. Toevallig heet ook zij Nicole en dit maakt beide scènes schijnbaar gerelateerd aan elkaar. Het is absurd omdat de kansen waarop zulke toevalligheden gebeuren minimaal zijn, maar toch weten we dat ze gebeuren in ons leven. Deze absurditeit maakt het leven zo verrassend. In een andere scène vertelt de moeder tegen een laag- of ongeschoolde opdrachtnemer dat hij terug zou moeten gaan naar school. Jaren later ontmoeten ze elkaar in een restaurant die bij toeval wordt gerund door diezelfde voormalige opdrachtnemer. Hij was op aanraden van de moeder terug naar school gegaan en heeft het mede daardoor tot manager van de restaurant geschopt.

Masons worsteling met bovengestelde existentiële vraag komt het duidelijkst naar voren in de scène waarin hij met zijn vriendinnetje om 3 uur ‘s nachts queso zit te eten in een restaurantje. Daarin vraagt hij zichzelf hardop af of het studentenleven wel zo’n levenstransformerende periode is zoals vele mensen beweren. Hij geeft het voorbeeld van zijn moeder die ondanks het behalen van een academische diploma en het hebben van een vrij goede baan nog net zo vertwijfeld lijkt te zijn als hij. Hoe kan iets dat zo voorbestemd en mundaan is als het vervolgen van een studie nou zo levensveranderend zijn dat het, zoals Mason mooi verwoordt, “de sleutel” is tot zijn leven? Alhoewel Linklater ons geen antwoord geeft op de vraag hoe we zin kunnen geven aan ons leven laat hij ons wel beseffen dat het leven zich uiteindelijk ontvouwt als een collectie momenten. Zo ook ontvouwt Boyhood zich als een collectie momenten die in het leven van Mason komen en gaan. Momenten die op zichzelf van korte duur zijn zoals het leven zelf gelimiteerd is. Hoeveel zonsondergangen zullen we bijvoorbeeld zien in ons leven? Hoe vaak zullen we genieten van ons favoriete eten? Zullen we ooit nog onze verloren liefdes terugvinden? Inzien dat ons leven gelimiteerd is klinkt uiterst pessimistisch, maar misschien probeert Linklater ons daarom wel het belang te laten inzien van het catalogiseren van momenten. Momenten kunnen ondanks hun vluchtigheid namelijk ook tot herinneringen verworden die de eigenschap van een zekere onvergankelijkheid bezitten – als herinneringen zijn ze namelijk een onuitputtelijke bron die we ontelbare keren opnieuw kunnen ervaren. We hoeven maar eenmaal een zonsondergang te zien of eenmaal diep verliefd te zijn geweest om het wonderlijke ervan een ontelbaar aantal keren te ervaren. Tegen het einde van de film, wanneer Mason zijn spullen inpakt om te vertrekken naar de universiteit, barst de moeder opeens in tranen uit. Ze wordt bevangen door de realisatie hoe snel de tijd is verlopen als Mason weigert zijn jeugdfoto mee te nemen naar campus. De foto is een object waarmee de moeder enig grip kan hebben op tijd en waarmee ze zich kan vasthouden aan momenten in haar leven. Linklater focust bij de vastlegging van momenten niet alleen op de leuke en mooie dingen. Hij laat ons zien dat het leven bestaat uit gelukkige en minder gelukkige momenten, maar misschien belangrijker nog wilt hij ons erop wijzen dat ook de minder leuke momenten waardevolle ervaringen zijn.

Conclusie
Mede door de manier waarop het de progressie van tijd in ons leven presenteert en waarop het ons laat stilstaan bij ons eigen leven is Boyhood al met al een film die in staat is om ons als geen ander op te roepen om voluit te leven en alle momenten, hoe pijnlijk of gemoedelijk ze ook zijn, te koesteren. Het is fascinerend hoe dicht Boyhood staat tot het ritme van ons eigen leven. Zodoende laat Boyhood een diepe indruk na op menigeen kijkers.

Schoonheid Is Maar Aan Weinigen Voorbehouden

Deze korte post gaat over de betekenis van de naam van deze site: ‘Pulchrum est paucorum hominum’. De naam is geïnspireerd op een passage uit Friedrich Nietzsches Afgodenschemering (1889) en betekent ‘schoonheid is maar aan weinigen voorbehouden’.

Nietzsche is zeer begaan met de staat van de Duitse cultuur en daarmee ook met de staat van haar onderwijs. Hij gelooft dat goed onderwijs een vereiste is voor het voortbrengen van een hoge cultuur, maar ziet nagenoeg vooral verloedering. Waar is het verval van het Duitse onderwijs volgens Nietzsche vooral aan te wijten? Onder het kopje ‘Waaraan het de Duitsers ontbeekt’, schrijft hij, “het onderwijs heeft de hoofdzaak uit het oog verloren: zowel het doel als het middel tot dat doel.” Nietzsche gelooft dat de staat en de cultuur elkaars tegenspelers zijn – als de één floreert, vervalt de ander. Hij schrijft,

“[A]lle grote cultuurperioden zijn perioden van politiek verval: wat in cultureel opzicht groot is, is altijd apolitiek, zelfs antipolitiek geweest… Vanaf het moment dat Duitsland zich als wereldmacht manifesteert, wint Frankrijk zich als culturele macht aan betekenis.”

Cultuur en staat zijn aldus elkaars tegenspelers. Volgens Nietzsche staat de achteruitgang van het Duitse onderwijs in direct verband met de opkomst van het Reich. Hij verwijt de staat over het opzettelijk oprichten van onderwijsinstituten waarin studentenmassa’s worden klaargestoomd om volgens brute dressuur bruikbaar en uitbuitbaar gemaakt te worden voor de staatsdienst. Het doel van het onderwijs is hierbij niet meer om ze te laten verworden tot sterke individuen met een sensitief intellect, maar om ze gehoorzaam te maken aan de staat. Inderdaad, met een omvangrijker natiestaat heeft het Reich grote progressie gemaakt in het verwezenlijken van Johann Fichtes droom die hij uitsprak in 1807: de complete vernietiging van de eigen wil in staatsburgers en de totale dienstbaarheid voor de staat.

Daarnaast gelooft Nietzsche dat de verdere democratisering van het onderwijs leidt tot nivellering, een sociaal proces waarin hogere unieke eigenschappen en waarden in individuen tot gemeengoed worden gemaakt. Door het ‘hoger onderwijs’ te verlagen wordt het toegankelijk voor iedereen. Alle verschillen tussen het unieke en het algemene, het superieure en het gemiddelde, het krachtige en het krachteloze, het belangrijke en het onbenullige worden dan genivelleerd. Nietzsche schrijft:

“[H]ogere opvoeding is van nature slechts weggelegd voor de uitzondering: men moet bevoorrecht zijn om recht te hebben op zo’n groot voorrecht. Alle grote, alle schone dingen kunnen nooit gemeengoed zijn: pulchrum est paucorum hominum. – Wat is de oorzaak van de teloorgang van de Duitse cultuur? Dat ‘hogere opvoeding’ geen voorrecht meer is – het democratisme van het ‘algemene’, van de tot gemeengoed geworden ‘culturele vorming’…

In tegenstelling tot het onderwijs voor een hoger cultuur is het onderwijs in het Reich ingesteld op middelmatigheid. In deze middelmatigheid heerst ook een gehaastheid om studenten al op jonge leeftijd te laten leren voor een bepaald beroep. Nietzsche schrijft:

“Een hoger soort mens, met permissie gesproken, houdt niet van ‘beroepen’, juist omdat hij zich niet geroepen voelt… Hij heeft de tijd, hij neemt de tijd, hij peinst er niet over om ‘klaar’ te komen, – op zijn dertigste is men in de zin van de hoge cultuur een beginneling, een kind.”

Aangezien deze website bedoeld is voor degenen die nog beschikken over een fijngevoelig intellect en een vrije geest die nog dapper genoeg is om zelf na te denken en zichzelf te verheffen boven de middelmaat, leek ‘Pulchrum est paucorum hominum’ mij een geschikte titel.