Tag Archives: Mises

Waar Keynes de mis in ging: 1. Rentestanden

John Maynard Keynes is de invloedrijkste econoom van de 20e eeuw geweest die zowel grote invloed heeft gehad op het politiek beleid als op het economisch denken. Het is om deze reden dat het cruciaal is voor de moderne denker om bekend te zijn met zijn ideeën – met name met zijn The General Theory Of Employment, Interest, and Money (1936) – als hij het economisch politieke klimaat wilt begrijpen, ongeacht of hij het eens is met Keynes of niet.

Toen Keynes stierf werd hij als volgt benoemd door de London Times,

“a very great Englishman… a man of genius, who as a political economist had a world-wide influence on the thinking both of specialists and of the general public… To find an economist of comparable influence one would have to go back to Adam Smith.” (Hazlitt, 1959, p. 1)

De invloed van Keynes zijn ideeën leeft ook door in hoe de meeste economen en overheden omgaan met de huidige economische crisis. Gregory Mankiw, professor economie aan Harvard, zegt

“If you [are] going to turn to only one economist to understand the problems facing the economy, there is little doubt that the economist would be John Maynard Keynes. Although Keynes died more than a half century ago, his diagnosis of recessions and depressions remains the foundation of modern macroeconomics.” (Lewis, 2009, p. 6)

Wat Keynes in het kort voorschrijft in een economische recessie is:
1. de Centrale Banken moeten de geldhoeveelheid vergroten;
2. zodat het aanbod van loanable funds toeneemt;
3. waardoor de rente omlaag gaat;
4. en het aantrekkelijker wordt voor banken om het nieuw gecreëerde geld te lenen;
5. die het dan weer beschikbaar stellen voor consumentenleningen en investeringen;
6. zodat er meer geïnvesteerd en geconsumeerd wordt;
7. en er meer vraag komt naar consumentengoederen;
8. en de economie dus weer groeit.

De kern van Keynes zijn boek is dat de rente naar beneden moest worden gedreven.

Keynes als theoreticus en beleidsmaker
De General Theory is zowel een economisch theoretisch boek als een politiek beleidsmatig boek. Volgens de econoom John H. Williams die Keynes persoonlijk goed kende was het het Beleid wat heeft geleid tot de Theorie. Robert Skidelsky, een biograaf van Keynes, is ermee eens en zegt: “He invented Theory to justify what he wanted to do.” (Lewis, 2009, p. 11)

Er schuilt een groot gevaar wanneer academici zichzelf bezig gaan houden met beleid: de objectiviteit van academici kan hiermee in het geding komen. Academici zouden objectief moeten zijn – een soort van profetische bewaarder van de realiteit en de toekomst.

Er is nu wel voldoende gezegd over Keynes, zijn invloed en welk beleid hij in het algemeen voorschrijft in tijden van economische crisis. Laten we nu kijken naar één van de onderwerpen waar hij de mis in ging: rentestanden. Hierbij zal ik voornamelijk gebruik maken van Hunter Lewis’ Where Keynes Went Wrong (2009), het originele werk van Keynes’ General Theory (1936) en Ludwig von Mises’ Human Action (1949).

Keynes en rentestanden
In de General Theory schrijft Keynes het volgende:

“There remains an allied, but distinct, matter… which deserves rehabilitation and honour. I mean the doctrine that the rate of interest is not self-adjusting at a level best suited to the social advantage but constantly tends to rise too high, so that a wise government is concerned to curb it by statute and custom and even by invoking the sanctions of the moral law.” (p. 218).

Het is dus de taak voor de overheid om rentestanden te verlagen. Echter, beschrijft hij nergens hoe hij erop is gekomen wat de beste rentestand is dat leidt tot gewenste sociale voordeel. Het idee dat de rentestand die wordt bepaald door de markt niet optimaal is is daarnaast een regelrechte aanval op het prijssysteem.

Zijn kritiek op de rentestanden wordt ook geuit in de volgende passage:

“That the world after several millennia of steady individual saving, is so poor … is to be explained … by the high liquidity-premiums … attaching to money.” (p. 152)

Verder noemt Keynes de hoge rentes een “outstanding evil” en de primaire obstakel voor groei en welvaart (p. 281).

Wat is dan de ideale rentestand? Keynes schrijft:

“I should guess that a properly run community … ought to be able to bring down the marginal efficiency of capital in equilibrium approximately to zero within a single generation”. (p. 140)

Juist, de ideale rentestand zou ongeveer 0 moeten zijn.

Waarom Keynes fout zit over rentestanden
Het is belangrijk om te beseffen wat rente werkelijk is. Het is een vrij complex fenomeen die afhankelijk is van verscheidene factoren. De rente beweegt met de vraag en aanbod voor krediet. Als de Centrale Bank het aanbod van krediet verhoogt, dan neigt de rente te dalen. Als het aanbod wordt verlaagt, dan neigt de rente te stijgen. En wat bepaalt dan de vraag en aanbod voor krediet? Dat is op de eerste plaats de individuele tijdsvoorkeuren die mensen hebben voor het houden van geld: het geld uit het inkomen dat mensen in de economie wensen te sparen en te investeren in plaats van te consumeren. Hoe meer er wordt gespaard,  hoe minder vraag er is naar geld en hoe meer geld er beschikbaar komt voor investeringen, hoe groter het aanbod van loanable funds en hoe lager de rente wordt. Hoe meer er wordt geconsumeerd, hoe groter de vraag naar geld komt en lager het aanbod van loanable funds wordt en hoe hoger de rente wordt.

Rente is om deze reden een prijs op geleend geld. Het is de prijs die op geld is gelegd, omdat de spaarder – het spaargeld van spaarders spekt de loanable funds op – zijn huidige consumptie opgeeft voor een later consumptie. De essentie van het rente-fenomeen ligt dus in de kosten die de leningverstrekker draagt. Ludwig von Mises legt het mooi uit in Human Action (1949):

“What gratifies less is abandoned in order to attain something that pleases more. That which is abandoned is called the price paid for the attainment of the end sought. The value of the price paid is called costs. Costs are equal to the value attached to the satisfaction which one must forego in order to attain the end aimed at.” (p. 97)

Wanneer de Centrale Bank de krediethoeveelheid vergroot, geld creëert uit het niets, dan reflecteert dit niet de onderliggende spaar- en consumptievoorkeuren van het volk. Zodra de opgespekte geldhoeveelheid verder in de economie stroomt zullen prijzen voor goederen en diensten ook verder stijgen en zal de rente weer terugkeren naar het originele niveau. Dat betekent dat als Keynes de rente op ongeveer 0 wilt houden, de Centrale Bank continue geld moet blijven injecteren in de economie.

Maar het verhaal is hierbij nog niet afgelopen. Als de prijzen blijven stijgen, anticipeert het volk verdere prijsstijgingen en hebben ze een neiging om hun tijdsvoorkeur voor geld te verlagen, omdat ze dan het onmiddelijke geld kunnen uitgeven tegen een waarde die hoger ligt dan in de toekomst. Hierdoor wordt de beschikbare krediet weer kleiner en neigt de rente naar een hoger niveau.

Als we Keynes zijn advies van ongeveer 0% rente zouden opvolgen, dan moet de Centrale Bank voortdurend meer en meer geld in de economie blijven pompen en zouden mensen zoveel mogelijk belet moeten worden om geld te sparen. We zouden leven in een wereld van hoge inflatie, zelfs hyperinflatie wat de kapitaalstructuur van onze samenleving totaal zou vernietigen. We zouden ook leven in een continue creatie van economische zeepbellen en crashes. Het nieuwe geld dat vrij komt met kredietgroei kan doorstromen naar bijvoorbeeld aandelen waardoor aandeelprijzen stijgen of naar huizen waardoor huizenprijzen stijgen en bubbles creëren in deze twee plaatsen wat overigens ook de prominente veroorzaker was van de huidige financiële crisis. De uiteindelijke consequentie van Keynes zijn beleid is een totale wantrouwen in geld en de totale vernietiging van het geldsysteem.

Bibliografie
Hazlitt, H. (1959). The Failure of the “New Economics”. Opgehaald van https://mises.org

Keynes, J.M. (1936). The General Theory of Employment, Interest, and Money. Opgehaald van https://cas.umkc.edu

Lewis, H. (2009). Where Keynes went wrong: … and why world governments keep creating inflation, bubbles, and busts …. Mount Jackson: Axios Press.

Mises von, L. (1949). Human Action: The Scholar’s Edition. Opgehaald van https://mises.org

 

Advertisements

Rothbard Over Economische Depressies: Oorzaak En Remedie

Murray Rothbard begint zijn essay, ‘Economic Depressions: Their Cause and Cure‘(1969) met de constatering dat we leven in een wereld van eufemismes. Met vermakelijke ironie schrijft Rothbard hoe economische depressies sinds de jaren ’30 niet meer voorkomen, omdat ze weggecamoufleerd zijn door het gebruik van een verzachtend en verbloemend semantiek. Bij de volgende scherpe depressie van 1937-1938 werd een depressie een ‘recessie’, maar ook dat woord bleek te hard voor de zachtgevoelige oren van moderne economen en het publiek. Sindsdien hadden we voornamelijk alleen nog maar ‘downturns’, ‘slowdowns’ of ‘sidewise movements’: dit zijn de wonderen van de ‘Nieuwe Economie’.

Sinds 1936 is de economische wereld in de ban geraakt van John Maynard Keynes die het Keynesianisme of ‘the New Economics’ heeft geïntroduceerd met de publicatie van zijn boek, The General Theory of Employment, Interest, and Money (1936). De houding van Keynes tegenover business cycles was dat overheden en centrale banken de economie zo konden reguleren dat recessies op z’n minst zouden worden geminimaliseerd of misschien zelfs helemaal de wereld uit zouden worden geholpen. Als er inflatie was, dan werd de oorzaak toegekend aan excessieve uitgaves door het publiek en was het de taak voor de overheid om de economie te stabiliseren door de uitgaves in te perken door middel van belastingheffingen. Als er een recessie was dan werd de schuld neergelegd bij het tekort aan private uitgaves en zou de overheid meer moeten uitgeven, ook al zou dit leiden tot overheidstekorten – zolang de totale uitgavestroom van het land maar wordt opgespekt. Het idee dat de overheid de rol kan opnemen van stabilisator van het economisch systeem zit sindsdien dieper ingebakken in de academische wereld dan ooit tevoren. De economie wordt hierbij gezien als een proces die ondanks zijn neiging naar grotere inflatie en werkeloosheid kneedbaar is. De overheid is in deze wereld dan een sociale engineer – altijd waakzaam voor elke mogelijke sputtering van de economie en altijd klaar om in te grijpen. Er was een tijd dat deze houding beschreven werd als ‘socialistisch’, maar in deze wereld van eufemismes heet het ‘matiging’ of ‘verlichtend vrije markt’.

Volgens Rothbard is de ‘general economic theory’ die ons leert dat vraag en aanbod altijd neigen naar het equilibrium inadequaat om ‘business cycles’ te verklaren. Moderne economen hebben om deze reden, apart van de ‘general economic theory’, een ‘business cycle theory’ bedacht om ‘business cycles’ te verklaren. Rothbard is ontevreden over de tweedeling van deze economische theoriën, omdat ‘business cycles’ onderdeel zijn van de economische wereld en daardoor geïntegreerd dienen te zijn binnen de algemene economische leer. Deze geünificeerde theorie bestaat gelukkigerwijs al; namelijk in de vorm van de ‘Austrian Business Cycle Theory’, een theorie die haar volledige vorm heeft verkregen onder Ludwig von Mises en haar volledige expressie heeft verkregen onder Friedrich von Hayek. De theorie bouwt voort op economische analyses van de 18e eeuwse Schotse filosoof David Hume en de 19e eeuwse Engelse econoom David Ricardo. Zij zagen een verband tussen de opkomst van het banken instituut, haar capaciteit om de geldhoeveelheid uit te breiden, en de opkomst van ‘business cycles’. Ricardo’s ‘business cycle theory’ vatte de volgende essentiële elementen van de correcte theorie:

  1. de terugkerende natuur van fases van de business cycle;
  2. en dat een economische depressie het gevolg is van marktinterventies door centrale banken en de overheid in plaats van voortkomend uit de vrije markt economie.

Het verklaarde echter nog niet waarom:

  1. er een plotselinge cluster van entrepreneuriële fouten plaatsvindt in zo’n korte periode;
  2. en waarom er een veel grotere fluctuatie in de ‘producers goods industries’ is dan in de ‘consumers goods industries’.

Hints van een correcte en volledig ontwikkelde theorie van ‘business cycles’ werden uiteindelijk naar voren geschoven door von Mises in zijn Theory of Money and Credit (1912) welke hij verder ontwikkelde gedurende de jaren ’20. Von Hayek bracht zijn theorie naar de Engelstalige wereld tijdens zijn aanstelling aan de London School of Economics in het begin van de jaren ’30. De theorie zou in de eerste jaren van de jaren ’30 onder enorm veel belangstelling staan totdat Keynes, ook werkende aan de London School of Economics, The General Theory of Employment, Interest, and Money (1936) publiceerde. Mises’ theorie gaat als volgt.

ABC Theory

Zonder kredietexpansie van banken neigen vraag en aanbod in de vrije markt naar een equilibrium in het prijssysteem en er kunnen geen cumulatieve ‘booms’ of ‘busts’ ontwikkelen. Dan stimuleert de overheid door haar centrale bank de kredietexpansie waardoor de kasreserves van commerciële banken ook uitbreiden. Wanneer deze banken krediet verlenen groeit de nationale geldhoeveelheid en wordt de marktequilibrium van vraag en aanbod naar de kredietverlening ernstig verstoord. Zoals Ricardo al zag: deze expansie van geld voert de prijzen van goederen op en leidt tot inflatie. Mises zag een additioneel kwaad, namelijk dat de rentestand in de economie onder deze omstandigheden lager wordt dan onder de omstandigheden van een vrije markt. Op de vrije markt wordt de rentestand volledig bepaald door de ‘time-preferences’ van alle individuen die onderdeel zijn van de markteconomie; de essentie van een lening is dat een huidig goed wordt opgeofferd voor een toekomstig goed. Omdat mensen van nature dezelfde hoeveelheid geld ‘nu’ prefereren boven dezelfde hoeveelheid geld ‘later’, is er een premium in de markt over het huidige geld. De variatie in de hoogte van de rentestand is afhankelijk van de mate waarin mensen het ‘nu’ prefereren boven de toekomst. ‘Time-preferences’ worden ook bepaald door de mate waarin mensen sparen en investeren prefereren boven de huidige consumptie. Als ‘time-preferences’ vallen dan consumeren mensen nu minder en sparen en investeren ze meer. Dit leidt tot een verlaging in de rentestand. Maar wat gebeurt er als de rentestant valt door overheidsinterventies die kredietexpansie promoten ipv door een natuurlijke val in ‘time preferences’? Het gevolg is dat entrepreneurs meer investeren in ‘capital en producers goods’. Investeringen, en dan met name de langdure projecten, die voorheen onrendabel leken lijken nu wel rendabel, omdat er minder rente terugbetaald hoeft te worden. Meer entrepreneurs zullen dan investeren in ‘capital goods’ en in industriële materialen in vergelijking tot ‘consumer goods’. Het geïnvesteerde geld leidt tot hogere huren in land en tot hogere salarissen in de ‘capital goods’ markt. Entrepreneurs denken dat ze, onwetend over de consequentie van overheids- en bankinterventies in de kredietmarkt, deze hogere kosten later terug kunnen betalen.

Het probleem komt wanneer werkers en grondbezitters het nieuwe geld, in de vorm van hogere salarissen, beginnen uit te geven. De ‘time-preferences’ van het publiek is namelijk niet lager geworden en het publiek wil niet meer sparen dan voorheen. De werkers consumeren dan meer van hun inkomen wat ertoe leidt dat de uitgaves teruggaan naar de ‘consumer goods industries’ en niet voldoende sparen en investeren om de nieuw geproduceerde ‘capital goods’ te kunnen kopen. De consequentie is een plotseling scherpe depressie in de ‘producers goods industries’. Wat dan blijkt is dat entrepreneurs, in de verwachting dat er meer spaargeld beschikbaar zou zijn voor investeringen, te veel hebben geïnvesteerd in ‘capital goods’ en te weinig in ‘consumer goods’.

Op deze manier leidt een inflatoire ‘boom’ dus tot distorties in prijs- en productiesystemen. Een depressie is een pijnlijk, maar noodzakelijk proces waarbij de vrije markt de excessen en fouten gedurende de ‘boom’ herstelt. Wat hoort de overheid dus te doen om de gearriveerde depressie zo spoedig en adequaat mogelijk te beëindigen?

  1. De overheid moet dan stoppen met het creëren van inflatie – de rentestand artificieel laag houden. Hoe langer de overheid zich bemoeit met het artificieel laag houden van de rentestand hoe langer en erger de depressie wordt;
  2. Het moet ook niet krediet verlenen aan bedrijven die in de problemen geraken;
  3. De overheid moet stoppen met salarissen artificieel hoog te houden, want daarmee zal het alleen maar meer werkeloosheid creëren;
  4. De overheid moet niet proberen opnieuw de inflatie aan te wakkeren, want ook als dit werkt wordt de bubble alleen maar groter en de economische pijnen, verlegd naar de toekomst, alleen maar heftiger;
  5. De overheid moet niets doen om consumptie te stimuleren opdat de consumptie/investeringsratio zich weer corrigeren naar een gezonde situatie;
  6. Wat de economie nodig heeft is niet meer consumptie, maar juist meer sparen.

In tijden van economische depressies hoort de overheid aldus niets te doen. Een depressie of recessie is geen kwaal, maar juist het geneesmiddel dat de economische excessen die door inflatie is gecreëerd weer terug te brengen naar een gezond niveau.