Tag Archives: Twilight of the Idols

Drie doelen van het onderwijs en de psychotische samenleving

Afgelopen week heb ik Nietzsches Twilight of the Idols (1888) (in het Nederlands Godenschemering) gelezen. Nietzsche noemt het boekwerk een “verklaring tot oorlog”, een veldslag waarin hij idolen – iets wat we excessief adoreren en aanbidden dat we ze boven onze kritische blikveld plaatsen – onderzoekt door er met een filosofische stemvork op te slaan om te zien of ze het verdienen om volwaardig geadoreerd te worden. Wellicht dat met de stemvorkslag het welbekende holle geluid van kletspraat te horen valt.

In deze post wil ik beschrijven wat Nietzsche te zeggen heeft over één zo’n idool – het publieke onderwijs in Duitsland. In een passage over het Duitse onderwijs schrijft hij dat in het moderne Duitsland niemand meer vrij is om zijn kinderen een nobele educatie te geven. Nietzsche gelooft dat het het doel is van het onderwijs en de school curricula om iedereen verplichtend gelijk te stellen aan elkaar door leerlingen een fundamenteel bedenkelijke middelmatigheid op te leggen. Deze nivelleringsslag houdt in dat middelmatigheid tot de standaard wordt gemaakt. Het is een sociaal proces waarin hogere waarden en individuele uniekheden worden vertrappeld en betekenisloos worden gemaakt door ze te trekken richting het gemiddelde. Zie in deze vorige post van mij hoe het fundamentele schoolproces (en het nivelleringsproces) eruit ziet. Dit gaat uiteindelijk ten koste van de ontwikkeling van het individu. In een passage waarin Nietzsche onder meer ook kritiek levert op filologen en Kant, schrijft hij:

“What is the task of all higher schooling?” To make man into a machine. “What are the means employed?” He must learn how to be bored. “How is this achieved?” By means of the concept duty. “What example of duty has he before his eyes?” The philologist: it is he who teaches people how to swat. “Who is the perfect man?” The Government official. “What philosophy furnishes the highest formula for the government official?” Kant’s philosophy: the Government official as thing-in-itself made judge over the Government official as appearance.” (Hoofdstuk Skirmishes in a war with the age, Sectie 29)

Gelukkig geeft Nietzsche naast zijn kritiek op het onderwijs ook ideeën over wat de doelen van het onderwijs zou moeten zijn. Hij heeft drie doelen vastgesteld waar het onderwijs aan zou moeten voldoen:

  1. Leerlingen moeten leren om het oog kalm te houden en om met geduld dingen op zich af te laten komen. Volgens Nietzsche is het belangrijk dat ze de gewoonte aanleren om individuele zaken van alle kanten te bekijken zodat we, zoals C. Wright Mills zegt, een zekere kritische gevoeligheid ontwikkelen waardoor onze geest als het ware “een bewegende prisma is die het licht opvangt van zoveel mogelijk verschillende hoeken en inzichten” (Mills, 1959, p. 214). Een persoon die getraind is om te leren zien wordt over het algemeen ook wantrouwender voor een zeker perspectief en is dan ook in staat om op grondiger redenen van perspectief te veranderen wat natuurlijk kan leiden tot een zekere weerspannigheid.
  2. Om leerlingen te leren denken. Denken moet worden geleerd net zoals dat dans geleerd dient te worden. Hij zag dat logica als een praktisch vak steeds minder werd beoefend en dat zelfs onder de hooggeleerden logica als een theorie langzaamaan begint te sterven.
  3. Tot slot moeten leerlingen leren spreken en leren schrijven. Ze moeten leren dansen met ideeën, met woorden en met de pen.

Al deze drie doelen van het onderwijs is wat ik graag de ‘intellectuele vakmanschap’ of ‘kritische kunde’ zou willen noemen. Naar mijn mening is deze vakmanschap geheel afwezig in ons onderwijs en daarmee verkeren we in een samenleving die onder voorwendselen van wijsheid en kennis snel vervalt tot een armzalig psychotische samenleving. Mensen hebben overal een mening op, maar weten daadwerkelijk niets: simpliciteit wordt verdraaid en gecompliceerd; we vertellen hoe anderen dienen te leven, maar kampen zelf met problemen die voor ons onoverkoombaar zijn; we behandelen symptomen van economisch-politieke kwesties, maar verliezen de oorzaak en het doel uit het oog; we gebruiken preventieve oorlogen om vrede te bewaren; installeren socialisme om kapitalisme te bewaken; en vernietigen met geweld de levensonderhouden van mensen onder humanitaire dekmantels. Zou het kunnen zijn dat deze huidige filosofie, nog onbenoembaar, het symptoom is van het retrogressieve onderwijs – een gebrek aan hogere scholing, een tekort aan intellectuele vakmanschap?

Referenties
Mills, C.W. (1959). The Sociological Imagination. New York: Oxford University Press.

Nietzsche, F.W. (1888). Twilight Of The Idols. (A.M Ludovici, Trans.) New York: Barnes & Noble Inc.

Advertisements

Schoonheid Is Maar Aan Weinigen Voorbehouden

Deze korte post gaat over de betekenis van de naam van deze site: ‘Pulchrum est paucorum hominum’. De naam is geïnspireerd op een passage uit Friedrich Nietzsches Afgodenschemering (1889) en betekent ‘schoonheid is maar aan weinigen voorbehouden’.

Nietzsche is zeer begaan met de staat van de Duitse cultuur en daarmee ook met de staat van haar onderwijs. Hij gelooft dat goed onderwijs een vereiste is voor het voortbrengen van een hoge cultuur, maar ziet nagenoeg vooral verloedering. Waar is het verval van het Duitse onderwijs volgens Nietzsche vooral aan te wijten? Onder het kopje ‘Waaraan het de Duitsers ontbeekt’, schrijft hij, “het onderwijs heeft de hoofdzaak uit het oog verloren: zowel het doel als het middel tot dat doel.” Nietzsche gelooft dat de staat en de cultuur elkaars tegenspelers zijn – als de één floreert, vervalt de ander. Hij schrijft,

“[A]lle grote cultuurperioden zijn perioden van politiek verval: wat in cultureel opzicht groot is, is altijd apolitiek, zelfs antipolitiek geweest… Vanaf het moment dat Duitsland zich als wereldmacht manifesteert, wint Frankrijk zich als culturele macht aan betekenis.”

Cultuur en staat zijn aldus elkaars tegenspelers. Volgens Nietzsche staat de achteruitgang van het Duitse onderwijs in direct verband met de opkomst van het Reich. Hij verwijt de staat over het opzettelijk oprichten van onderwijsinstituten waarin studentenmassa’s worden klaargestoomd om volgens brute dressuur bruikbaar en uitbuitbaar gemaakt te worden voor de staatsdienst. Het doel van het onderwijs is hierbij niet meer om ze te laten verworden tot sterke individuen met een sensitief intellect, maar om ze gehoorzaam te maken aan de staat. Inderdaad, met een omvangrijker natiestaat heeft het Reich grote progressie gemaakt in het verwezenlijken van Johann Fichtes droom die hij uitsprak in 1807: de complete vernietiging van de eigen wil in staatsburgers en de totale dienstbaarheid voor de staat.

Daarnaast gelooft Nietzsche dat de verdere democratisering van het onderwijs leidt tot nivellering, een sociaal proces waarin hogere unieke eigenschappen en waarden in individuen tot gemeengoed worden gemaakt. Door het ‘hoger onderwijs’ te verlagen wordt het toegankelijk voor iedereen. Alle verschillen tussen het unieke en het algemene, het superieure en het gemiddelde, het krachtige en het krachteloze, het belangrijke en het onbenullige worden dan genivelleerd. Nietzsche schrijft:

“[H]ogere opvoeding is van nature slechts weggelegd voor de uitzondering: men moet bevoorrecht zijn om recht te hebben op zo’n groot voorrecht. Alle grote, alle schone dingen kunnen nooit gemeengoed zijn: pulchrum est paucorum hominum. – Wat is de oorzaak van de teloorgang van de Duitse cultuur? Dat ‘hogere opvoeding’ geen voorrecht meer is – het democratisme van het ‘algemene’, van de tot gemeengoed geworden ‘culturele vorming’…

In tegenstelling tot het onderwijs voor een hoger cultuur is het onderwijs in het Reich ingesteld op middelmatigheid. In deze middelmatigheid heerst ook een gehaastheid om studenten al op jonge leeftijd te laten leren voor een bepaald beroep. Nietzsche schrijft:

“Een hoger soort mens, met permissie gesproken, houdt niet van ‘beroepen’, juist omdat hij zich niet geroepen voelt… Hij heeft de tijd, hij neemt de tijd, hij peinst er niet over om ‘klaar’ te komen, – op zijn dertigste is men in de zin van de hoge cultuur een beginneling, een kind.”

Aangezien deze website bedoeld is voor degenen die nog beschikken over een fijngevoelig intellect en een vrije geest die nog dapper genoeg is om zelf na te denken en zichzelf te verheffen boven de middelmaat, leek ‘Pulchrum est paucorum hominum’ mij een geschikte titel.